Wendbaarheid in het sociaal domein

Vijf jaar geleden is de verantwoordelijkheid voor kwetsbare mensen overgedragen aan gemeenten. Dit had drie decentralisaties tot gevolg: Awbz naar Wmo, de Participatiewet en de Jeugdwet. Maar er zijn voor gemeenten weinig middelen bij gekomen voor deze nieuwe taken, waardoor de beoogde nieuwe werkwijze moeizaam van de grond komt. Er wordt voldaan aan de minimale eisen van de wet, maar vaak niet meer dan dat.

Er is behoefte aan organisatieoverschrijdende samenwerking, terwijl interne samenwerking vaak al een uitdaging is. We hebben vaak te maken met schotjes en potjes. Op welke manier is hier een doorbraak in te forceren? Of in ambtelijke termen: hoe kunnen we de transitie vorm en inhoud geven? Het systeem is hardnekkig en medewerkers verschuilen zich achter werken volgens de regels, terwijl werken volgens de bedoeling gewenst is. We willen eigenlijk meer inspelen op wat de samenleving van ons nodig heeft. We hebben minder regulering nodig en meer wendbaarheid.

Maar hoe ontwikkel je wendbaarheid? De rol voor de gemeente is nieuw. Bovendien is het voor medewerkers van gemeenten ook nieuw om te opereren in een dynamische context met degene die het betreft (de initiatiefnemer of hulpbehoevende), zijn/haar gezinssysteem en tal van andere betrokken partijen. We moeten leren om het vraagstuk centraal te stellen en voortdurend afgestemd te zijn op de omgeving.

Wendbaarheid is het vermogen om te reflecteren op bestaande overtuigingen, eigen denkpatronen en gedrag, en dan anders te handelen wanneer een veranderende context dat vereist. Wendbaarheid vraagt nu meer dan ooit zelfbewustzijn en een alerte omgevingsbewustheid.